Huidaandoeningen

Toenemende aandacht voor de donkere huid

Toename van het aantal allochtonen in Nederland heeft zowel maatschappelijke als sociale gevolgen gehad. Ook de gezondheidszorg heeft hiermee te maken. Omgaan met mensen van verschillende etnische en sociale achtergronden is niet gemakkelijk en vergt naast kennis inventiviteit en aanpassing. Gelukkig is de fysische diagnostiek voor interne ziekten voor alle rassen gelijk. Een iridocyclitis (=oogontsteking), een otitis media (middenoorontsteking) of een subcapitale humerusfractuur (= botbreuk bovenarm) kunnen op dezelfde criteria worden gediagnostiseerd bij iemand uit Nederland, iemand uit Turkije, Zaïre of Hong Kong. Dit geldt echter niet voor aandoeningen aan het uiterlijk omhulsel, de huid. Een aandoening in een getinte huid ziet er heel anders uit dan diezelfde aandoening in een blanke huid, terwijl vrijwel alle handboeken zich op deze blanke huid concentreren. Een erythemato-papulosquameuze (= roodschilferende )aandoening is zeker niet erythemateus (= rood) in de zwarte huid en daarmee vervalt het “feest der herkenning”.

Bijna alle artsen hebben tegenwoordig patiënten met een gekleurde huid in hun praktijk. Een reden om aan deze huid aandacht te besteden .

Wat zijn de verschillen tussen de donkere (negroïde) en de blanke huid ?

Rassen onderscheiden zich van elkaar door erfelijke verschillen, die zich op verschillende wijzen kunnen manifesteren: in lichaamsgestalte, vorm van het hoofd of gelaat, lengte der spieren, maar vooral ook in huidskleur, en de kleur en vorm van de haren. Publicaties over vermeende rasverschillen zijn over het algemeen slecht onderbouwd; zij houden weinig of geen rekening met verschillen in klimaat of in sociaal-economische omstandigheden. Enkele rasverschillen zijn duidelijk en van belang, omdat ze de expressie van huidziekten bepalen.

Erytheem (=roodheid)
Als gevolg van de overliggende pigmentatie is roodheid als teken van ontsteking in een gekleurde huid vaak niet waar te nemen. Om die reden is naast “kijken” “voelen” van essentieel diagnostisch belang. Immers, ontstekingsverschijnselen als calor (warmte), dolor (pijn) en tumor (zwelling) zijn dan wel waarneembaar.

Cohesie ( =binding)
De cohesie (=binding) tussen de keratinocyten (=opperhuidcellen) onderling, met name in de hoornlaag, is in de gepigmenteerde huid groter dan in de blanke huid. Daarom krabben blanke patiënten een jeukende huidziekte vaak open, terwijl er bij gekleurden een lichenificatie (= vergroving van het huidrefliëf) optreedt.

Ook vesiculae (blaasjes) gaan bij blanken gemakkelijker stuk, terwijl ze in de zwarte huid lang intact kunnen blijven. Omdat de inhoud van een blaasje in de gekleurde huid niet goed te zien is, worden vesiculae vaak als papels (=kleine bultjes) waargenomen. Opgemerkt moet worden, dat deze verschillen wel met het blote oog te zien zijn, maar niet onder de microscoop.

Pigmentatie (= huidskleur)
De huidskleur hangt vooral af van de hoeveelheid en de distributie van het melanine (= pigment) in de opperhuid. Dit is afhankelijk van genetische factoren en van blootstelling aan de zon. Er bestaat verschil in grootte, vorm en distributie van de melanosomen (= pigmentkorrels). Bij Kaukasiërs zijn de melanosomen klein en samengeklonterd in groepjes van drie of meer binnen een keratinocyt, vooral als een “dakje” boven de kern. Tijdens de rijping van de keratinocyt wordt de melanine door lysosomale enzymen afgebroken, zodat in de hoornlaag geen melanine meer aanwezig is. Bij Negroïden en Australoïden zijn de melanosomen groter en niet geklonterd. Zij persisteren tot in de hoornlaag. Echter, bij intensieve ultra-violette (UV-) belichting kunnen zich ook bij Kaukasiërs grote melanosomen ontwikkelen. Dit verschil in pigmentatie heeft klinisch verschillende gevolgen

VERBRANDING.
De minimaal erythemateuze dosis (= MED) UV-licht voor een zwarte huid is 25-30 keer hoger dan voor een blanke huid. (MED is de dosis UV – stralen waarbij de bestraalde huid na 24 uur nét roze-rood aankleurt). Echter, voor het individu is met name de dikte van de opperhuid als bescherming tegen zonlicht van belang. Deze adaptatiefactor is bij alle rassen aanwezig, met als gevolg dat ook gekleurden die langere tijd niet in de volle zon zijn geweest, bij een bezoek aan hun vaderland kunnen verbranden.

HUIDKANKER.
Een donkere huid blijkt tegen huidkanker te beschermen.

VITAMINE D-SYNTHESE.
Een negatief effect van een donkere huid is dat de vitamine D-synthese minder is, wat een nadeel is voor donker gepigmenteerden in het West-Europese klimaat, zeker als een groot gedeelte van het lichaam wordt bedekt, bijvoorbeeld om religieuze redenen.

WARMTE-ABSORPTIE.
Een nadeel van pigmentatie is dat een zwarte huid 30- 40% meer warmte opneemt. Die zal het lichaam ook weer kwijt moeten raken. Dit gebeurt door zweten. Lange tijd is aangenomen dat donkergekleurden in aanleg meer en grotere zweetklieren hadden, maar inmiddels is aan- getoond dat dit veroorzaakt wordt door aanpassing en niet erfelijk bepaald is.

PIGMENTVERSCHUIVINGEN
Naast een afwezigheid van erytheem (roodheid) vallen bij een huidziekte in de gepigmenteerde huid vooral de veranderingen in pigmentatie op: hypopigmentatie, depigmentatie en hyperpigmentatie.

Hypopigmentatie (= lichte vlekken) kan op verschillende manieren ontstaan. Het kan veroorzaakt worden door een versnelde afschilfering van de huid. Er is dan een grote turnover van de keratinocyten bij een gelijkblijvende aanmaak van pigment. ledere keratinocyt bevat dan minder pigment en bij gelijkblijvende dikte van de opperhuid treedt dus hypopigmentatie op. Dit wordt onder andere gezien bij pityriasis alba, een milde vorm van atopisch eczeem. Een tweede oorzaak van hypopigmentatie is een blokkade bij de overdracht van de melanosomen van melanocyt naar keratinocyt ten gevolge van de aanwezigheid van oedeem en ontstekingscellen. Dit treedt onder andere op bij seborroïsch eczeem. Een derde mogelijkheid is dat de pigmentaanmaak wordt geremd. Dit komt onder andere voor bij de lichte variant van pityriasis versicolor, bij topicale steroïdbehandeling en bij tuberculoide lepra. Bij pityriasis versicolor remmen stoffen gevormd door gist Pityrosporum ovale mogelijk de pigmentaanmaak; bij tuberculoïde lepra is de remming van de pigmentsynthese waarschijnlijk een gevolg van een auto-immuunreactie.

Depigmentatie (= melkwitte vlekken) wordt gezien bij extreme afschilfering, zoals bijvoorbeeld bij de behandeling van psoriasis , bij totale overdrachtblokkade (lupus erythematodes) of wanneer de melanocyt verdwijnt ten gevolge van cytotoxiciteit (=celvernietiging) veroorzaakt door auto-immuniteit (zoals bij vitiligo) of door toxische stoffen (zoals bij chemische leukoderma, onder andere veroorzaakt door rubberversnellers).

 Hyperpigmentatie (= donkere vlekken) kan ontstaan doordat de huid dikker wordt en er dus meer keratinocyten met pigment boven elkaar liggen, bijvoorbeeld bij lichenificatie (=vergroving huidreliëf bij bijv. chronisch eczeem) of onbehandelde psoriasis. Soms kunnen ook huidinfecties hyperpigmentatie veroorzaken, zoals bij de donkere variant van pityriasis versicolor waarbij onder de microscoop een toename van grote melanosomen te zien is. Een derde veel voorkomende oorzaak van hyperpigmentatie is “pigmentincontinentie”. Bij veel huidontstekingen treedt beschadiging op van het vliesje tussen de opperhuid en de lederhuid (= basaalmembraan) , zodat pigment van de opperhuid in de lederhuid kan “lekken”. Daar wordt het door speciale witte bloedcellen ( zgn “melanofagen” ) opgeruimd. Zulk pigment heeft vaak een blauwzwart aspect en verdwijnt slechts zeer langzaam (soort zelf-tatoeage).

Haar
Haar kan bij de verschillende rassen en subtypes van rassen verschillen in verdeling, kleur en vorm. Zo kunnen Kaukasiërs van mediterrane, maar vooral ook vanTurkse of Perzische af- komst sterk behaard zijn. Bij Kaukasiërs uit West-Europa en India is dit minder, terwijl ook de lichaamsbeharing van het Mongoolse ras spaarzaam is. De haarkleur van Negroïden, Mongoloïden en Australoïden is vrijwel altijd zwart, terwijl die bij het Kaukasische ras kan variëren van diepzwart tot blond en rossig. Het haar van Mongoloïden en Negroïden is dik, dat van Kaukasiërs over het algemeen dun. De haren van Mongoloïden zijn recht, die van Negroïden krullerig, terwijl die van Kaukasiërs recht of golvend kunnen zijn. Krullend haar kan een probleem geven, wanneer het na scheren of zeer kort knippen in de huid krult of teruggroeit en ontstekingsverschijnselen geeft zoals pseudofolliculitis barbae of acné keloidalis nuchae.

Geur
Verschillende rassen hebben een verschillende lichaamsgeur. Hierbij speelt de mate van transpireren een grote rol, bepaald door de omgevingstemperatuur, lichamelijke inspanning en psychische stress. De geur wordt mede bepaald door voedingsgewoonte en (overdreven) lichaamshygiene. Dit laatste is bij immigranten uit tropische gebieden excessief en leidt dan tot uitdroging. Dit is als volgt te verklaren; mensen uit de tropen zijn gewend om 2 tot 3 keer per dag hun huid te wassen. Eénmaal in Nederland aangekomen wordt er echter van deze gewoonte niet afgeweken, zodat in periodes van droge koude klimaat (wintermaanden) de huid extra uitdroogt.

Het gebruik van oliën, vetten en geurende cosmetica varieert van bevolkingsgroep tot bevolkingsgroep en draagt bij tot het verschil in lichaamsgeur. Verder lijken de lipiden-samenstelling van de huid (de hoornlaag van de donkere huid bevat meer vetten dan de blanke huid) en erfelijke factoren ook een rol te spelen in het ontstaan van lichaamsgeur.

Met dank aan
Dr Ben Naafs, dermatoloog

Feedback

Vindt u dit artikel nuttig?

  • Ja
  • Een beetje
  • Nee
Laat ons weten wat u vindt van dit arikel.
Vergeet uw bericht niet!
Staat uw vraag er niet tussen? Vraag het ons op Facebook!

U kunt vragen stellen aan de redactie via facebook Like onze facebook pagina en stel uw vraag.

Hoe veilig is laserontharing eigenlijk?

Mijn moedervlek verandert van vorm, kan dit kwaad ?